Vliegende Eekhoorn

 

Vliegende of Zweefeekhoorn

Wetenschappelijke naam: Pteromyini

Nederlandse naam:  Zweef of vliegende eekhoorn

Duitse naam:   Gleithörnchen

De zweefeekoorns (Pteromyini) zijn een afgeleide soort van de eekhoorns (Sciuridae). Tussen de voor- en achterpoten bevindt zich een zweefhuid, die als een soort zweefscherm werkt wanneer ze van een ast springen. Ofwel ze niet werkelijk vliegen kunnen, worden ze ook wel vliegeekhoorns genoemd.

 

De zweefhuid wordt aan een sikkelvormig bot van de handwortel gespannen. Vanaf hier reikt ze tot aan het voetgewricht van de achterpoot. De staart is altijd lang, breed en borstelig en dient als sturing. Op deze manier kunnen zweefeekhoorns afstanden afleggen van wel 50 meter. Bij de reuze zweefeekhoorns werd er zelfs in een enkel geval en onder gunstige omstandigheden 450 meter gemeten. Voor de landing draaien de zweefeekhoorns hun lichaamsas, zodat ze loodrecht naar de grond staan en met hulp van hun gespreide zweefhuid afremmen. Met ver gekromde lichamen en afstaande staarten landen de zweefeekhoorns met vier poten op de grond. Zweefeekhoorns kunnen zelfs met hulp van de staart de richting tijdens het zweven veranderen.

De zweefvaardigheid onder zoogdieren heeft zich meermaals onafhankelijk van elkaar ontwikkelt. Er bestaan groepen zweefvaardige dieren, die geen familie van de zweefeekhoorns zijn. Tot deze dieren, die in convergente evolutie geheel soortgelijke levenswijzen ontwikkelt hebben, tellen o.a. de zweefbuideldieren en de doornstaart eekhoorns. Alle zweefeekhoorns hebben krachtige klauwen, die ze nodig hebben voor het klimmen. Aan de voorpoten bevinden zich 4 klauwen en aan de achterpoten 5. De kop is rond en nooit spits toelopend. De grote ogen getuigen van de nachtactieve levenswijze.

 

De zweefeekhoorns zijn bosbewoners. Men ziet ze bijna nooit op de open vlakten, daar ze hier hun zweefvaardigheid niet kunnen benutten. Meestal zijn ze schemer- en nachtactief. Ze klimmen snel in de bomen, kunnen alleen geen grote sprongen zoals de boomeekhoorns maken. Ook op de grond zijn ze zeer stuntelig, daar de zweefhuid de bewegingen hindert. De voeding bestaat zoals bij de andere eekhoorns uit noten en vruchten en daarnaast worden er ook insecten gegeten.

 

 

 

Het nest wordt vaak in een boomholte, soms ook in het takkenwerk gebouwd. In het nest worst er geslapen en worden de jongen grootgebracht. De levensduur kan bij sommige soorten 13 jaar bedragen, maar vaak is het korter. Door de zweefvaardigheid lukt het zweefeekhoorns soms boombewonende rovers zoals marters te ontkomen. Echter grijpvogels en uilen niet. Ofwel zweefeekhoorns ook in Noord-Amerika, Europa en Noord Azië leven, ligt het zwaartepunt van het verspreidingsgebied éénduidig op Oost- en Zuidoost Azië. Vooral op de Indonesische eilanden vindt men een opmerkelijke rijkdom aan soorten. Veel van deze soorten zijn zelfs niet eens onderzocht.

 

De volgende soorten kunnen worden onderscheiden:

  • Reuze zweefeekhoorn (Petaurista)
  • Namdapha-zweefeekhoorn (Biswamoyopterus)
  • Zwarte zweefeekhoorn (Aeromys)
  • Rots zweefeekhoorn (Eupetaurus)
  • Echte zweefeekhoorn (Pteromys)
  • Nieuwe wereld zweefeekhoorn (Glaucomys)
  • Kasjmir zweefeekhoorn (Eoglaucomys)
  • Pijlstaart zweefeekhoorn (Hylopetes)
  • Dwerg zweefeekhoorn (Petinomys)